Goed ten Hulle
Domein Ten Bosch

Historiek Kasteel van Wippelgem
Het oudste teruggevonden spoor dateert van 1375 toen het domein nog de naam “Ten Hulle” droeg. Het was eigendom van de Gentse patriciër Sander Cante en het was een ‘land-kasteel’ dat zijn rijkdom haalde uit de omliggende landerijen en boerderijen.
Omstreeks 1400 werd het domein verkocht aan Gelloot den Amman, ook een Gentenaar die veel bezittingen had in Noord-Vlaanderen (o.a. in Sleidinge, Oosteeklo, …)
In 1435 ging het kasteel over naar Alexandrina den Amman die gehuwd was met Jan van Hembyze. van Hembyze droeg de titel ‘Heer van Braekel’ en daardoor bleef de titel ‘van Braekel’ (‘van Braeckele’) verbonden aan het kasteel tot in 1605.
Om een idee te geven van de toenmalige sfeer: in 1498 werd het neerhof verhuurd aan Christoffel Teerline voor de jaarlijkse pachtsom van “9 pond, 10 schellingen, 4 steen boter, 200 eieren, 12 lakeizen, 4 steen vlas en 100 bussels stro”
Bij het overlijden van Joos van Braeckele in 1605 ging de eigendom naar zijn schoonfamilie, de familie Triest.
Adriaan Triest verkocht het domein 7 jaar later al aan Frans du Quesnov die het op zijn beurt terug verkocht in 1625 aan Jonkheer Hubert Francies Pieter Nieuwland voor de som van “1300 pond grootte”.
Nieuwland was een man van aanzien. Zijn volledige titel luidde :”Jonkheer Hubert Francies Pieter Nieuwland, Burggraaf van Nieuwland, Heer van Ruddervoorde en Pottelsberge, Raadsheer in de Raad van State, Kamerheer der Keizerlijken en Koninklijken Majesteiten van Oostenrijk, Hoogbaljuw der stad Gent en Baljuw van den Oudburg”.Zijn nakomelingen lieten in 1720 de huiskapel inrichten en inwijden. Sindsdien konden de missen en christelijke rituelen thuis ingericht worden.
In 1799 werd het domein te huur gesteld. Het was ondertussen ge-evolueerd van een land-kasteel naar een zomerverblijf en werd aangekondigd als :”het Kasteel ofte Huys van Plaisance….gelegen, binnen de Parochie van Everghem, vijf quartieren urs van de stad Gent, zijnde den Bouw van drij Stagien, hebbende Remisen en een Stallinge voor veerthien Peirden, woonste en Stallinge voor den hovenier. Duyvekeete, Ysput, eenen hof rondom in zijnen Mueren, groot in Erve onder Dreve, Wallen, Spiegels ofte Bassins, Parterre en voordere Hovingen, Zevensterre, Bosques en andere Wandelingen, benevens eenig Zaeyland gelegen in de Werken, 49 gemeten 94 roeden” (d.i. ongeveer 23 ha.)
In 1783 kocht Johannes van der Meersch het domein voor 29.000 gulden. Hij was “coopman ende rafinadeur in Suyckers”en hij liet de grisaille schilderen die nog steeds in het kasteel te zien is. Het stelt de god Mercurius voor, de heilige van de handelaren, en zit vol symboliek. (Een grisaille is een zelden gebruikte techniek van zwart-wit schilderij.)
Het domein werd verkocht aan Jozef-Sebastiaan Delafaille d’Assenede (datum nog onbekend) en sindsdien veranderde het domein enkel nog van eigenaar door erfenis.
Omstreeks 1850 werd Victor Baron de Neve de Rode- Van den Hecke de nieuwe erfgenaam.
Hij schonk in 1856 een stuk grond om de bouw van de kerk van Wippelgem mogelijk te maken. De kerk zelf werd gebouwd onder impuls van Ludovic Maertens, eigenaar van het naburige kasteel in de Heffink.
E.H. Peeters, eerste proost van Wippelgem, schreef daarover in zijn annalen :”ook moet men bemerken dat het kasteel van Heer baron Deneve, voortskomende van de ouden Baron Delafaille d’Assenede en hierom tot nu toe noch het kasteel Delafaille genoemd, vortijds omringd was van plantagien en bosschagien zodanig dat de landen die de dreef aanpalen tot aan de kalseideweg van Wippelgem naar Evergem leidende, den Bosch van Lafaille genoemd wierden en men van die bosschagien sprak als van een schrikwekkende plaets er bij voegende gelijk er in zulke legenden komt dat aldaar eenen mensch was vermoord. Alhoewel die bosschagies nu alle uitgeroeid zijn blijven de landen (…) altijd den naem dragen van den bosch van Lafaille. Er wierd dan gezeid dat de nieuwe kerk gebouwd wierd achter den bosch van Lafaille. Sommigen zeiden in den bosch van lafaille en alle degene die het hoorden en ter plaetse niet geweest waren vonden het aerdig, ja, uitzinnig eene kerk te bouwen in eenen bosch. Hieruit komt voort dat de vijanden der nieuwe Kerk haar somtijds den naem gegeven hebben van Bosch Kapel of Bosch Kerk”.Op 28 augustus 1909 overlijdt Alfred Baron de Neve de Roden (de zoon van Victor) samen met zijn echtgenote Leonie Kerveyn d’Oudt-Mooreghem bij één van de eerste treinongevallen in de geschiedenis: ze werden met hun koets gegrepen door een voorbijkomende trein.
Bij gebrek aan rechtstreekse erfgenamen werd Victor Baron de Crombrugghe de Looringhe de nieuwe eigenaar.
Zijn enige dochter Josine Barones de Crombrugghe de Looringhe werd de volgende erfgenaam. Ze bleef ongehuwd.
Nog voor haar overlijden werd de eigendomstitel van het domein overgebracht in de N.V. Ten Bosch, onder beheer van de familie de Crombrugghe de Looringhe.Door Filip Geleyte
We komen binnen in het kasteel via de hoofdingang. De eerste ruimte deed dienst als ontvangstruimte.
Aan de rechterzijde (noordkant) hebben we le petit salon. Aan de wanden hangen olieverfschilderijen op doek waarvan de herkomst onduidelijk is. Het gaat vermoedelijk om (familieleden van) vroegere eigenaars van het kasteel en is wellicht gerecupereerd na de brand omtrent 1890.
In le petit salon hangt een opmerkelijke christallen luchter : les larmes met traanvormige elementen.
Le petit salon werd gebruikt als ontvangstruimte voor familie en belangrijke gasten. Het was tevens het fumoir : waar kon gerookt worden.Aanpalend aan le petit salon is er het grand salon.(zuidzijde). De dagelijkse leefruimte met ruime tafel, salon, bibliotheek en speeltafel.
Links van het grand salon (zuidzijde) komen we in de eetplaats. Een eiken tafel gaf ruim plaats aan 8 personen. Een uitschuifsysteem en tussenbladen kon de tafel verruimen tot 30 personen. De tafel vulde dan diagonaal de totale ruimte.
In de eetplaats is er boven de haard een opmerkelijke grisaille. Een grisaille is een zelden gebruikte techniek van olieverf in zwart-grijze tinten. De grisaille werd gemaakt in opdracht van één van de vroegere eigenaars (suikerraffinadeur Vandermeersch- 1729-1805) en staat vol symboliek (verwijzend naar zijn beroepsactiviteiten, huwelijk, kinderen en overleden kinderen).Aanpalend aan de eetplaats hebben we het office. Een ruimte waarvan de wanden volledig bestaan uit inbouwkasten voor het opbergen van serviezen, glazen en bestek. Er is een spoelbak voor de afwas.
De in de keuken bereidde maaltijden werden naar het office gebracht om daar op schotels geschikt te worden en opgediend. Het keukenpersoneel en het bedieningspersoneel was toen gescheiden.Van het office gaan we naar de keuken door een gangetje. De keuken was in twee gedeeld: in de warme keuken stond een groot fornuis (vergelijkbaar met een AGA-fornuis, maar dan groter), een werktafel en een afwasbak.
In de aanpalende koude keuken stond enkel een tafel. De koude keuken (aan de noord-oostzijde van het kasteel – nu toiletten) was ook de plaats voor ontvangst van de leveranciers. De zijdeur, waarvan ook enkel het bovenste gedeelte kan ge-opend worden, is daar nog getuige van. Men kon binnen gelaten worden maar ook door de halve deur zijn goederen leveren.Op de benedenverdieping hebben we nog links van de ontvangstruimte de traphal. Blikvanger in de traphal was een grote luxe-arreslee en twee harnassen. Die trap werd enkel gebruik door de eigenaars. Voor het personeel is er een andere, kleinere trap aan de keuken.
Het volledige kasteel is onderkelderd. De kelder was ingedeeld in kamers, wijnkelder en in één van de kamers was een immense mazouttank ter plaatse ingebouwd.
Op de eerste verdieping hadden we 4 ruime slaapkamers met annex een ruimte voor lavabo en kleerkast. Op de entresol waren er twee kleinere ruimtes die dienst deden als verblijf- en slaapplaats voor de huishoudster.
Eén van de vier slaapkamers werd door de laatste bewoonster-barones omgebouwd tot fitness-ruimte.
Op de eerste verdieping hadden we nog een badkamer en het bureau met erker en zicht op de vijver.
De eerste verdieping heeft grondige veranderingen moeten ondergaan toen het kasteel van functie veranderde en kreeg woonfunctie.Op de tweede verdieping was er de huiskapel en waren de kamers voor het huispersoneel. Op die verdieping staat tevens een immens grote watertank die het regenwater verzamelt. Op de derde verdieping (zolder) staat een gelijkaardige watertank.
Gaan we terug naar buiten dan hebben we rechts voor ons (noord-oostkant) de paardenstallen, koetshuis en hovenierswoning (nu bistrot).
De paardenstallen (3) zijn zeer ambachtelijk gemaakt uit edel hout en zeer solide afgemaakt. Ze dienden voor het stallen van de rij- en koetspaarden. In de stal hangt een telsysteem dat verbonden is met een trechter hogerop waarin haver zit. Het rantsoen kon op die manier gedoseerd worden per paard.Naast de paardenstallen hebben we het koetshuis, wat later de garage voor de auto werd.
Aan het koetshuis en half daarin ingebouwd was er het damespaviljoen, wat spijtig genoeg in de jaren 1990 verdwenen is. Het was een klein zithoekje aan het water, met banken ingebouwd in het koetshuis en met een voorliggend, half-overdekt terrasje. Een roddel-en handwerkhoekje voor de vrouwen.
Noordelijk gericht en palend aan de paardenstallen is de hovenierswoning. Het mag duidelijk zijn wie daar woonde. De woning had een kleine binnenkoer met bergruimtes en konijnenhokken.
Palend aan de hovenierswoning en boven de paardenstallen waren de kamers voor de hulp-tuiniers. Markant was dat de tuinier wel de deur kon openen naar het verblijf van zijn helpers, maar niet omgekeerd.De hovenier stond in voor het beheer van de boomgaarden en de grote ommuurde moestuin. De moestuin is enkel toegankelijk via twee poortjes die meteen de konijnen buiten hielden.
Hij was door dubbele metalen bogen verdeeld in vier gelijke delen. De bogen steunden leibomen (appel en peer). Aan de binnenkant van de muren groeiden geleide pruimelaars, kersen en krieken. Er was een muurserre over de helft van de binnen-zuidmuur. Aan de andere helft van de zuid-muur was een zgn. ‘warme bak’ die, gevuld met paardenmest en afgedekt met glas, voorsprong gaf aan de groei.
Op twee hoeken van de moestuin stond een bergruimte, inclusief toilet voor het personeel.Aan de zuidkant van de moestuin paalt een kleine weide die vooral dienst deed als hooiland
Aan de noordkant van de moestuin vinden we de serre. Beneden is er een opslagplaats (die ook dienst deed als boterhammen-restaurant voor het personeel), de kweektafels stonden op het eerste verdiep. Het geheel werd verwarmd met warm-waterbuizen die gevoed werden door een houtbrander die beneden stond.
Aan de serre paalt een druivenserre op het gelijkvloers. Deze druivelaars, met zéér lekkere druiven, zijn wellicht meer dan honderd jaar oud en staan met de voet buiten in de volle grond en de vruchten binnen onder glas.
Keren we terug naar centrum van het kasteeldomein dan zien we rechts van het kasteel de boerderij, nu omgebouwd tot feestzaal.
Oorspronkelijk was het eerste gedeelte, met opbouw, de paardenstal voor de werkpaarden. Minder en eenvoudiger van uitvoering dan de stallen voor de luxe-paarden.
Daarnaast was de woning voor de boer die voorzag in de voeding voor het kasteel. Verderop was de hooizolder en waren de stallingen. Daartegenover de stallingen voor varkens, de rookkamer (om hespen te roken), het fornuis en aanpalend de ‘remise’ om de wagens te stallen.Door Filip Geleyte
Webmaster louty
onderdeel van www.wippelgem.be